Praktijkgerichte nascholing over farmacotherapie in de eerste lijn
Menu

Antibiotica tegen bacteriële pneumonie

Door op 01-08-2007

In onderstaand artikel wordt de vraag behandeld of het gebruik van antibiotica, die actief zijn tegen atypische organismen, een verbetering inhoudt wat betreft de behandeling van extramuraal verworven pneumonie en wat daar het mechanisme van is. Deze vragen trachtten onderzoekers te bestuderen bij 2209 gevallen die met een extramuraal verkregen bacteriële pneumonie (EBP) in een ziekenhuis werden opgenomen en binnen 24 uur antibiotica toegediend kregen. Patiënten worden in dit onderzoek gestratificeerd naar gelang de antibiotische behandeling. De bloedkweken leverden op: S.pneumoniae (38%), Staph.aureus, Streptococcus spp, Escherichia coli (alle 14%), restgroep, waaronder 9% andere enterogene gramnegatieve bacillen. Van alle patiënten kregen 885 mensen monotherapie met onder andere levofloxacine, ceftriaxon, cefotaxim, cefuroxim en ampicilline/sulbactam. De overige 1324 mensen kregen een antibiotische combinatie toegediend waarbij alle bovengenoemde middelen betrokken waren. Uit de resultaten kwam naar voren dat het initiële gebruik van enig antibioticum, bekend als actief tegen atypische organismen, onafhankelijk geassocieerd bleek met een verminderd risico op de 30-daagse mortaliteit (OR: 0,75, 95% BI: 0,59-0,98, p = 0,03) en tevens met de heropname in het ziekenhuis binnen 30 dagen na ontslag (OR: 0,67, 95% BI 0,51-0,89, p = 0,01). Dit voordeel was vooral geassocieerd met het gebruik van macroliden, maar niet met dat van fluorochinolonen of tetracyclines. De conclusie luidt dat initiële antibiotische therapie met inbegrip van een macrolide binnen 24 uur toegediend bij mensen met een EBP een verbetering kan betekenen van diverse uitkomsten van de behandeling.

Log nu in om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.

Abonneren

Informatie over dit artikel

Thema Farmacotherapie
Publicatie 1 augustus 2007
Editie PiL - Jaargang 11 - editie 8 - Editie 8, 2007