Praktijkgerichte nascholing over farmacotherapie in de eerste lijn
Menu

Buprenorfine-implantaten voor behandeling van opioïdverslaving

Door op 26-05-2011

Buprenorfine is een partiële agonist van opioïdreceptoren. Sublinguaal buprenorfine wordt toegepast bij de behandeling van opioïdverslaving. Belangrijke problematiek daarbij is echter lage therapietrouw, verduistering en niet-medisch gebruik. Mogelijk kan deze problematiek voorkomen worden door toepassing van implantaten met buprenorfine. Deze bestaan uit een polymere matrix van ethyleenvinylacetaat en buprenorfine. Na een aanvankelijke bolusafgifte geeft het implantaat een constante kleine hoeveelheid buprenorfine af gedurende zes maanden.
Ling en medewerkers onderzochten in een gerandomiseerd, placebogecontroleerd onderzoek de effectiviteit van deze implantaten bij opioïdverslaafden gedurende zes maanden. De toepassing van buprenorfine werd bij deze doelgroep als verantwoord beschouwd als tijdens een inductiefase direct voorafgaand aan het onderzoek de deelnemers geen significante ‘craving’ of ontwenningsverschijnselen vertoonden met de combinatie buprenorfine en naltrexon (gedurende drie dagen 12-16 mg per dag sublinguaal). Na deze inductiefase kregen 108 deelnemers vier implantaten met buprenorfine (80 mg/stuk) en 55 deelnemers vier implantaten met placebo. Als tijdens de onderzoeksperiode significante craving of ontwenningsverschijnselen optraden, konden deelnemers aanvullend 4 mg tot maximaal 12-13 mg sublinguaal buprenorfine-naltrexon krijgen. Een extra implantaat was mogelijk bij veelvuldig gebruik van aanvullende medicatie. Alle deelnemers kregen tevens gestandaardiseerde geneesmiddelconsulten (gedurende de eerste twaalf weken tweemaal per week, daarna eenmaal per week) en urinecontroles (driemaal per week). Gemiste urinemonsters werden als positief voor illegale opioïden beschouwd. De belangrijkste uitkomstmaten waren de percentages urinemonsters negatief voor illegale opioïden in de eerste 16 weken en in week 17 tot 24.
Een extra implantaat was nodig bij 20,3% van de deelnemers in de buprenorfinegroep en bij 58,2% in de placebogroep. In de eerste zestien weken kreeg 59% van de deelnemers in de buprenorfinegroep (gemiddeld 94,1 mg van week 1 -16) en 91% in de placebogroep (gemiddeld 208,3 mg van week 1 -16) aanvullende buprenorfine-naltrexonmedicatie. Het aantal negatieve urinemonsters was significant hoger in de buprenorfinegroep dan in de placebogroep zowel in week 1-16 (resp. 40,4 % versus 28,3%; P=0,04) als in de hele onderzoeksperiode (resp. 36,6% versus 22,4%; P=0,01). Ook voltooiden significant meer deelnemers de behandeling in de buprenorfinegroep dan in de placebogroep (respectievelijk 65,7% versus 30,9%; P<0,001). Bijwerkingen kwamen in gelijke mate voor in beide groepen (buprenorfinegroep 86,1%, placebogroep 81.8%). De meest voorkomende bijwerkingen in beide groepen waren bijwerkingen door het implantaat.
De auteurs concluderen dat buprenorfine-implantaten effectief zijn bij de behandeling van opioïdverslaving gedurende 24 weken na implantatie. Het percentage patiënten dat de behandeling voltooit, is beduidend hoger dan doorgaans met sublinguaal buprenorfine bereikt wordt. Vier tot vijf implantaten lijken voldoende om de meeste craving en ontwenningsverschijnselen te onderdrukken en leiden tot minder illegaal opioïdgebruik.

Belangenverstrengeling: alle auteurs hadden financiële banden met één of meerdere farmaceutische bedrijven. KB is een werknemer van Titan Pharmaceuticals. Het onderzoek werd gefinancierd door Titan Pharmaceuticals.

Ling W, Casadonte P, Bigelow G, et al. Buprenorphine implants for treatment of opioid dependence. A randomized controlled trial. JAMA 2010;304(14):1576-83.

Buprenorfine is in Nederland op de markt als zodanig (sublinguale tablet) en als BuTrans® (pleisters), Transtec® (pleisters), Temgesic® (sublinguaal tablet en injectievloeistof) en in combinatie met naloxon als Suboxone®

Log nu in om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.

Abonneren

Informatie over dit artikel

Auteurs M. Nelissen-Vrancken
Thema Farmacotherapie
Publicatie 26 mei 2011
Editie PiL - Jaargang 15 - editie 4 - Editie 4, 2011