Praktijkgerichte nascholing over farmacotherapie in de eerste lijn
Menu

Clusterhoofdpijn: pathogenese, diagnose en management

Door op 01-06-2006

Clusterhoofdpijn is, in tegenstelling tot migraine, vrij zeldzaam. De prevalentie is minder dan 1% en het treedt vooral op bij mannen. Clusterhoofdpijn wordt gekenmerkt door ernstige unilaterale pijn in en rond het oog die vergezeld gaat van ipsilaterale autonome symptomen, zoals ptosis, miosis, traanvorming en rhinorrhoe. Daarnaast wordt clusterhoofdpijn gekenmerkt door het optreden van relatief kortdurende (15-180 minuten) pijnlijke aanvallen met een circadiaans ritme. De hoofdpijnaanvallen kunnen dagelijks optreden gedurende een periode van 6-12 weken, waarna een remissie van 12 maanden kan optreden. De hoofdpijnaanvallen beginnen vaak 1-2 uur na het inslapen of in de vroege ochtend. De aanvallen zijn onderhevig aan seizoensinvloeden, hetgeen wijst op beïnvloeding van de symptomen door de hypothalamus. Een belangrijke rol van de hypothalamus bij de pathogenese van de ziekte is verder aan het licht gekomen door PET-scan en functioneel MRI-onderzoek. Veel verder dan het vaststellen van primaire betrokkenheid van de hypothalamus bij het ziekteproces is men tot dusver echter niet gekomen. Secundair vindt via de trigemino-hypothalame weg activatie van de trigemino-faciale reflex plaats, hetgeen de optredende symptomen verklaart. Hiermee is wel definitief een punt gezet achter alle vasculaire theorieën die jarenlang zijn verkondigd.

Log nu in om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.

Abonneren

Informatie over dit artikel

Thema Aanbevolen Overzichten
Publicatie 1 juni 2006
Editie PiL - Jaargang 10 - editie 6 - Editie 6, 2006