Praktijkgerichte nascholing over farmacotherapie in de eerste lijn
Menu

Farmacogenetica van opioïden

Door op 01-01-2008

De meeste opioïden zijn agonisten van de -opioïdreceptor en worden toegepast voor de behandeling van matige tot ernstige, acute en chronische pijn. Hun therapeutische breedte is smal waardoor een zorgvuldige dosering nodig is om enerzijds voldoende pijnstilling te waarborgen en anderzijds teveel bijwerkingen, vooral sedatie en ademdepressie, te voorkomen. Naar blijkt is de behoefte aan – bijvoorbeeld – morfine per patiënt verschillend. Dit wordt voor een deel verklaard door verschillen in gevoeligheid voor pijnprikkels die wordt beïnvloed door onder andere fysiologische mechanismen, psychologische, culturele en omgevingsfactoren. Men begint thans enig inzicht te krijgen in de rol die genetische factoren hierbij kunnen spelen. Uit onderzoek bij gezonde proefpersonen is duidelijk geworden dat polymorfismen in de genen die coderen voor de vanilloid receptor subtype 1, de -opioïdreceptor subtype 1, de melanocortine-1-receptor en het enzym catechol-Omethyltransferase verschillen in pijngevoeligheid enigermate kunnen verklaren.

Log nu in om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.

Abonneren

Informatie over dit artikel

Thema Farmacotherapie
Publicatie 1 januari 2008
Editie PiL - Jaargang 12 - editie 1 - Editie 1, 2008