Praktijkgerichte nascholing over farmacotherapie in de eerste lijn
Menu

Secundaire preventie van CVA bij ouderen met atriumfibrilleren

Door op 01-05-2005

Bij atriumfibrilleren worden veelal bloedverdunners gegeven ter preventie van een cerebrovasculair accident (CVA). Hiervoor worden zowel aspirine als anticoagulantia gebruikt. Tsivgoulis en medewerkers vergeleken beide behandelopties bij een populatie van oudere patiënten (>75 jaar) die een CVA hadden doorgemaakt en bekend waren met atriumfibrilleren. De eindpunten waren overlijden en vasculaire problematiek, zoals CVA en embolie. De patiënten werden gezien na één, drie en zes maanden en vervolgens iedere zes maanden. Ze werden gemiddeld 88,4 maanden (spreiding 3-120 maanden) gevolgd. Na opname voor een CVA kregen zij standaard aspirine en naar boordeling van de arts na één tot vier weken anticoagulantia; de streefwaarde voor de international normalized ratio (INR) was 2,0 tot 3,0. De keuze voor de anticoagulantia was sterk afhankelijk van praktische factoren zoals de te verwachten therapietrouw, een gemotiveerde familie en de toegankelijkheid van de trombosedienst. De overige patiënten werden behandeld met 100 tot 325 mg aspirine per dag. De gemiddelde leeftijd van de patiënten bij opname in het onderzoek was 80 jaar. Van de 207 ingesloten patiënten kregen er 72 anticoagulantia en 135 aspirine. De mortaliteit gedurende het onderzoek was 63,8% en was afhankelijk van de leeftijd, de functionele status van de patiënten bij het verlaten van de kliniek en van de gekozen therapie. De mortaliteit was lager in de met anticoagulantia behandelde groep: het relatieve risico op overlijden bij gebruik van orale anticoagulantia ten opzichte van aspirine was 0,47 (95%-Bl 0,31-0,72) en op een recidiverend CVA zelfs 0,31 (95%-Bl 0,16-0,62).

Log nu in om het volledige artikel te bekijken of om te reageren.

Abonneren

Informatie over dit artikel

Thema Kortweg
Publicatie 1 mei 2005
Editie PiL - Jaargang 9 - editie 5 - Editie 5, 2005